Je speelt het spel in 4 rondes (Dag 1 t/m 4).
Speel om beurten.
Als je aan de beurt bent kies je voor lopen of rusten of een Gladiool spelen.
Lopen
Kies 1 handkaart. De kaart moet een hoger getal
hebben dan de bovenste kaart op de loopstapel. Leg de
kaart open op de loopstapel.
Hoe harder je gaat (hoe groter het verschil in waarde),
hoe meer kaarten je moet trekken. En te hard lopen mag
niet. Onderstaand een overzicht:
| +1 t/m +5 |
Helemaal goed |
Geen kaart trekken |
| +6 t/m +10 |
Fors tempo |
Trek 1 kaart |
| +11 t/m +15 |
Wel erg hard |
Trek 2 kaarten |
| +16 of meer |
Te hard |
Niet toegestaan |
Als je een FINISH kaart (50 km), speelt, eindigt daarna
de dag.
Leg de loopstapel weg. Pak de
START-kaart voor de volgende dag en leg die midden op
tafel. Dit is de nieuwe loopstapel.
Rusten
Trek 1 kaart van de trekstapel. Soms is rusten
gewoonweg de beste optie. Ken je grenzen.
Gladiool spelen
Kies 1 Gladioolkaart uit je hand
(mag alleen op dag 4). Leg deze naast de
loopstapel. Een Gladiool spelen kan een
goede manier zijn om een beurt over te
slaan zonder te rusten.
Gladiolen kun je alleen spelen tijdens
dag 4, de laatste ronde van het spel.
Als de Trekstapel leeg is
Als de trekstapel op is, pak je van dag 1 alle kaarten,
behalve de START-kaart (0 km). Schud ze en vorm
een nieuwe trek stapel. Is de trekstapel later weer op,
herhaal het dan met de kaarten van dag 2 en daarna
ook die van dag 3.